Brussel lag altijd al strategisch in het centrum. Aan de ene kant was er moerasland en aan de andere kant heuvels en laagland. Tussen die twee gebieden groeide gaandeweg de hoofdstad van Europa.
Het begon allemaal behoorlijk bescheiden. Pas in de eerste helft van de 11de eeuw trad Brussel stilaan uit de schaduw. Er kwam een kasteel op de Koudenberg, een kapel aan Sint-Gorik (op een eiland in de Zennerivier) en een kerk die uiteindelijk zou leiden tot de huidige kathedraal.
In de loop der jaren vestigden zich ambachtslui en handelaars in de buurt. Het gebied kwam in handen van de graven van Leuven... Intussen werd Brussel geleidelijk aan een echte stad waar je alleen nog binnen kon door een van de zeven poorten. Ze werd geleid door de hertogen van Brabant en de burgerij. In de periode 1360-1400 kwam er een tweede omwalling. Die volgde het tracé waarlangs momenteel de lanen van de Kleine Ring lopen.
In het begin van de 15de eeuw neemt het ambitieuze Huis van Bourgondië de macht in Brabant over. Onder Filips de Goede wordt Brussel zelfs hoofdstad van de "Groothertog van het Westen". Gereputeerde kunstenaars en ambachtslui verdringen er elkaar. In het begin van de 16de eeuw wordt Karel V, de latere Keizer Karel, de opvolger van de Bourgondiërs en neemt zijn intrek in het paleis op de Koudenberg. Intussen wordt Brussel politiek alsmaar belangrijker. De stad profiteert maximaal van de centralisatie binnen het uitgestrekte rijk van de Habsburgers.